De geschiedenis van de Polder van Biesland

De ligging en het huidige gebruik De Polder van Biesland ligt ingeklemd tussen de Bieslandse Bovenpolder met het gebied van de Delftse Hout aan de zuidwest kant, de Klein-Vrijenbanse Polder met de nieuwe woonwijk Brassershout aan de noordwest kant, het Dobbeplas-Balijgebied aan de noordoost kant en de Noordpolder van Delfgauw aan de zuidoostelijke kant.


Oorspronkelijk werd de naam Polder van Biesland gebruikt voor een poldergebied dat de huidige Polder van Biesland én de Bieslandse Bovenpolder omvatte. Een belangrijk deel van de Polder van Biesland is in gebruik bij de familie Duijndam ten behoeve van hun veeteeltbedrijf. Op 7 maart 2007 tekenden de familie en diverse overheden zoals de provincie, het ministerie van LNV, de gemeenten Delft en Pijnacker-Nootdorp en het Stadsgewest Haaglanden een samenwerkingsovereenkomst over Boeren voor Natuur . De overeenkomst houdt onder meer in dat er een subsidie komt voor het boeren in de Bieslandse Polder. De overeenkomst was het startsein voor de herinrichting van een deel van de polder. De herinrichting gaat de ecologische waarde en de duurzaamheid van de polder verhogen. De Stichting Vrienden van Biesland speelt hierbij een belangrijke rol.


Het ontstaan van Biesland, de Bieslandse Polder of de Kooltuynspolder  

 Het ontstaan van de Bieslandpolder is scherp te dateren. In het jaar 1450 gaf het hoogheemraadschap van Delfland de opdracht tot het aanleggen van een scheidingskade in het noorden van “Delfgawy in ’t Bieslant”. Deze kade heet tot vandaag de Noordkade en scheidt nog steeds de Noordpolder en Biesland. Ongeveer één jaar later werd aan de noordoostelijke kant de Rijskade aangelegd. De noordwestelijke kade, de Bieslandse kade die diende ter kering van het water uit de Nootdorps Vaart (ook: Tweemolentjesvaart), moet ongeveer in diezelfde periode worden gedateerd. Weliswaar komt die naam pas voor het eerst voor in 1525, maar omdat de Vrijenbanse kade aan de overkant van die vaart in 1457 werd aangelegd, mag worden aangenomen dat beide kaden nagenoeg gelijktijdig zijn gerealiseerd. Aan de zuidwestelijke kant grensde de polder aan de Oostsingel, de buitenrand van Delft. Op die singel waterde de polder af door middel van een sloot, de molensloot, en eigen molen: de Bieslandse molen. De bekading van de polder was niet het begin van de ontginning van dit veengebied. Het was meer een noodzakelijk gevolg van de ontginning. De Middeleeuwers gingen op een eenvoudige maar inventieve wijze ingrijpen in de waterhuishouding in de veengebieden. Er werden sloten gegraven voor drainage en met klei worden waterweringen opgeworpen, de ‘caien’. Het systeem voor de ontginning was simpel: haaks op een wal of een waterloop (de zogenaamde ‘ontginningsas’) groef men evenwijdige sloten. De sloten dienden zowel voor de markering van de eigendom als voor de afwatering. Het is de enige manier om het veenmoeras geleidelijk mensvriendelijk te maken: veenontginning is feitelijk ontwatering: 80% van het veen bestaat uit water. Op de kaart van Kruikius uit het jaar 1712 is deze oude ontwateringsstructuur goed herkenbaar. De ontginning startte altijd met het trekken van sloten (‘tochten’) in het veenpakket om het water af te voeren. Om de bovenkant vruchtbaar te maken verbrandde men de bovenste laag om koren te zaaien. Regelmatige verbranding zal niet veel gebeurd zijn, omdat dit eigenlijk roofbouw was die slechts een kort rendement gaf. Met eenvoudige ploegen bewerkte men de oppervlaktelaag. In het begin van de ontginningsactiviteiten lag de nadruk vooral op het winnen van landbouwgrond. Er werd bij de ontginning wel wat turf gedolven als brandstof, maar die activiteit was in de eerste eeuwen beperkt en vooral voor het koken en de verwarming van de huizen van de ontginners en grondeigenaren. Toch is dat niet de hoofdreden geweest dat de bodem daalde en dat er kades moesten worden aangelegd. De voor de landbouw en veeteelt noodzakelijke ontwatering van het gebied had tot gevolg dat het hoogveen uitdroogde en oxideerde. Door deze steeds verder gaande inklinking kwam het maaiveld geleidelijk maar onomkeerbaar steeds lager te liggen. Deze inklinking leidde tot steeds meer waterkundige problemen, waardoor de hogere kaden moesten worden aangelegd om het buitenwater buiten te houden. Het maaiveldniveau, dat vóór de ontginning drie tot vier meter boven NAP zal hebben gelegen, was rond 1450 nog nauwelijks hoger dan het NAP.


Het gebruik van de Bieslandse Polder tot en met de 18e eeuw

Werd de Bieslandse Polder in aanvang voornamelijk gebruikt voor akkerbouw, met de inklinking en de vernatting werd het gebied steeds meer gebruikt voor veeteelt: weide en hooilanden kenmerkte vanaf ongeveer 1500 het karakter van de polder. Aan de Delftse kant van de Bieslandse Polder, tegen de Oostsingel waar de grond voornamelijk uit klei bestond, werden in de 17e eeuw enkele (groente-)tuinen aangelegd. Mogelijk ligt hierin de verklaring dat de Bieslandse Polder op de kaart van Nicolaes Visscher uit 1682 wordt aangeduid met Kooltuyns Polder.De polder werd door twee wateringen in ongeveer drie gelijke delen werd verdeeld. De linkse watering heette Het Korft (op oude kaarten ook: Korfft, Kurftwetering). Het is een oud veenstroompje dat ongeveer de grens vormde tussen het hoogveen en de kleigrond van Delft. Het rechtse stroompje had de naam Loetwatering. Druk bevolkt was het gebied niet: in het ambacht Biesland stonden volgens de verpondingslijst van 1732 twee huizen. De economische activiteiten in Delft en andere steden (distilleerderijen, bierbrouwerijen, porseleinfabrieken, de lakenproductie) draaiden in de Gouden Eeuw op een grote energiebron: turf! Ook de pannen- en baksteenindustrie groeit snel. In de steden raken stenen huizen in zwang vanwege het brandgevaar. Het dwingt tot nieuwe vormen van vervening van de omringende veengebieden, namelijk het vervenen met behulp van de baggerbeugel, het slagturven. Door middel van een net, met ijzeren beugel of ring bevestigd aan een lange houten steel, gaat men vanaf de kant of vanaf een boot de turf onder water op de kant trekken. In de omgeving van Nootdorp werd dit in de 17e eeuw grootschalig gedaan. De Bieslandse Polder ontkwam tot ongeveer 1700 aan dit lot, maar de behoefte aan energie bleek groot. Op de kaart van Kruikius uit 1712 zien we dat een groot deel van de naastgelegen Vrijenbanse Polder al is veranderd in een veenplas en dat de eerste repen land in het noordoostelijke deel van Biesland in water zijn veranderd:

 

Nauwelijks enkele jaren later was het gebied van de huidige Polder van Biesland uitgeveend. De polder was veranderd in een grote waterplas. De diepe vervening van het noordoostelijke deel van de polder had grote gevolgen. De onderhoudskosten van de omringende kaden en wegen liepen zo hoog op dat volgens de ambachtsbewaarders van Biesland “het te dugten staat dat niet alleen geringe maar zelfs gegoede ingelanden daardoor zullen worden geruïneerd en tot armoede worden gebracht.” Er moest dus wat gedaan worden. Rond 1775 ontwikkelde het ambachtsbestuur van Biesland daarom plannen tot het droogpompen van de uitgeveende polder.


De drooglegging van de Bieslandpolder en de splitsing van de polders 

Op 14 maart 1778 kregen de Schout en Gerechten van Biesland van de Staten van Holland toestemming tot het bedijken en droogleggen van 137 hectare uitgeveend land. Om dat voor elkaar te krijgen werd het noordoostelijke gedeelte verdeeld in twee blokken. In 1783 begon de droogmaking. Na voltooiing van het eerste blok in 1797 kon worden gestart met de bedijking en droogmaking het tweede blok. In enkele maanden tijd was ook hier de droogmaking voltooid. De lange sloten volgden de hoofdrichting van de sloten van vóór de diepe vervening. Er werden drie dwarssloten geprogrammeerd. Na de droogmaking bleken die dwarssloten niet in zijn geheel nodig. De aanzet daarvan is evenwel wel gerealiseerd en tot op vandaag bewaard gebleven. Maar het droog gepompte land lag wél een stuk lager dan het zuidwestelijke stuk van de polder. Dat gaf problemen met de uitwatering van de laaggelegen droogmakerij op de Bieslandse molensloot in het hoge gedeelte van de naastgelegen polder. Daarom besloot men de oorspronkelijke Bieslandse polder in 1801 te splitsen in twee afzonderlijke polders. Het hooggelegen deel ten zuidwesten van de Loetwatering kreeg de naam Bieslandse Bovenpolder, het deel ten oosten hiervan de Polder van Biesland. Een schetskaart van de Bieslandse Bovenpolder uit 1861 laat een onderscheid zien tussen de kleilanden en de veenlanden. Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw werden ook deze veenlanden uitgeveend. De hierdoor ontstane veenplas kwam in bezit van Jan Dionisius Viruly, een rijke man. Hij kreeg op 2 september 1858 toestemming om die veenplas in te dijken en droog te maken. Het gebied kreeg de naam “poldertje van Viruly” maar had geen eigen bestuur. Het viel onder het gezag van de Bieslandse Bovenpolder (waar Viruly vanaf 1862 voorzitter werd). Iets meer dan een eeuw later werd dit drooggemaakte poldertje voor een belangrijk deel weer onder water gezet: de grote plas van de Delftse Hout. De Polder van Biesland behoorde tot een van de eerste doorgelegde veenplassen in het gebied rondom Nootdorp. Nootdorp zelf bestond toen nog uitsluitend uit wegen, kaden en water. Terwijl de Bieslandse Bovenpolder na 1950 geheel van karakter veranderde (de A 13, de stedelijke uitbreiding Delft en het recreatiegebied Delftse Hout) en in 1972 als polder werd opgeheven, bleef de Polder van Biesland zijn unieke karakter behouden. Weliswaar werd op 1 januari 1977 de Polder van Biesland als zelfstandig bestuurde eenheid opgeheven en werden de rechten en verplichtingen overgenomen door het hoogheemraadschap van Delfland, maar het unieke karakter wordt als zeer waardevol in stand gehouden. Molenromp aan Tweemolentjesvaart 1935. Deze molen werd in 1650 gebouwd.  

(bron: Vereniging Noitdorpsche Historiën, aug 2008) 


De Bieslandse Molen 

De Bieslandse molen is, als complex van molenonderbouw en zomerhuisje, van cultuurhistorische waarde vanwege de historische, functionele relatie met de waterstaatsgeschiedenis van de polders ten oosten van Delft, in het bijzonder van de Bieslandse polder. De Bieslandse molen is van stedenbouwkundig belang vanwege de herkenbaarheid van een tot de late middeleeuwen teruggaande polderstructuur, en vanwege de nog vrijwel oorspronkelijke erfinrichting. De Bieslandse molen is van bouwhistorische waarde vanwege de nog aanwezige oudere kern met ruimtelijke structuur en bouwsporen, en de nog aanwezige 18e en 19e eeuwse onderdelen en afwerkingen van het interieur. Het gebouw is weliswaar aangetast als zijnde slechts nog het restant van een molen met een geheel nieuwe afdekking: van de oorspronkelijke ruimtelijke indeling en afwerking van het interieur zijn nog substantiele delen bewaard. De Bieslandse molen heeft als complex van molenonderbouw en zomerhuisje, een hoge zeldzaamheidswaarde: het gebouw is de oudste van de weinig overgebleven (restanten van) molens in en rond Delft.

                            

Snel op de hoogte zijn van al onze activiteiten
kan eenvoudig wanneer u ons volgt via Social Media: